De kudum is een van de belangrijkste slaginstrumenten van de klassieke Turkse muziek en komt oorspronkelijk uit Anatolië. Samen met de ney, de rebap en de halile is de kudum een van de hoofdinstrumenten van de Mevlevi-muziek. Vroeger werd dit instrument meestal bij religieuze ceremonies bespeeld, en vooral in de mehter-muziek nam het een belangrijke plaats in. De geschiedenis van de kudum is verbonden met de Mevlevi-cultuur. De Mevlevi gebruikten de kudum als eerste bij religieuze ceremonies, waarna het instrument zich verder ontwikkelde. Tegen de 20e eeuw kreeg de kudum zijn plaats in de klassieke Turkse muziek. De kudum wordt vooral gebruikt in de klassieke Turkse muziek en de soefimuziek.
Hij bestaat uit twee losse, komvormige klankkasten van verschillend formaat die naast elkaar staan en waarover kameel- of geitenvel is gespannen. Hij wordt bespeeld met zachte of halfzachte houten stokken, zahme genoemd. De twee kommen waaruit het corpus bestaat, zijn van gesmeed koper of van hout. De kleine trommen in de opbouw van de kudum hebben een diameter van ongeveer 28–30 centimeter en een hoogte van ongeveer 16 centimeter. Deze trommen versmallen naar onderen en benaderen een halfbolvorm. Dat de twee kommen verschillend van formaat zijn, dient om tijdens het spelen twee verschillende klankkleuren te krijgen. Onder het corpus worden holle cilinders geplaatst, simit genoemd, om te voorkomen dat de kudum door contact met de grond van klankkleur verandert en om de speler een schuine stand te geven die het spelen vergemakkelijkt. Het metalen corpus van de kudum wordt meestal met leer bekleed, waardoor hoge, schelle klanken worden tegengegaan.
